Het verhaal over de razzia van 25 april

Alhoewel er geen bijeenkomst is, is er morgen (zaterdag 25 april) gedurende de hele dag de gelegenheid de plaquette ter nagedachtenis van de slachtoffers van de razzia op 25 april 1944 te bezoeken. De de plaquette hangt aan de gevel van café Moeke Vaatstra naast de voordeur.

Inwoners van Noord- en Zuidwolde worden gevraagd deze dag de Nederlandse vlag halfstok te hangen.


Het verhaal over de razzia van 25 april

Voor veel mensen is het verhaal achter de plaquette nog relatief onbekend. Met het onderstaande stuk willen we u graag informeren wat er is gebeurd ten tijde van de Tweede Wereldoorlog:

Actie en reactie
Op 22 april 1944 wordt op het station van Bedum de onderluitenant der Staatspolitie, Jannes Luitje Keijer, neergeschoten. Keijer, opvolger van de eveneens vermoorde Elsinga en werkzaam voor de Duitsers in het Scholtenshuis te Groningen, overlijdt later in het ziekenhuis van die stad aan zijn verwondingen. De daders, twee leden uit het Gronings verzet die nooit gepakt worden, ruimden Keijer uit de weg, omdat hij te gevaarlijk zou zijn geworden.

De bezetter neemt een dag later meteen wraak door de Bedumer aannemer J.W. Formsma te vermoorden. En op 25 april 1944 volgen razzia’s in de dorpen Bedum, Winsum, Middelstum en Zuidwolde. Deze strooptochten, die honderden arrestaties tot gevolg hadden, worden geleid door Hauptsturmführer Friedrich Bellmer, hierbij geassisteerd door 1000 militairen van de Sicherheitsdienst (SD), Feldgendarmerie en leden van de Grüne Polizei.

In Zuidwolde berust de leiding van de actie bij Hauptscharführer Helmuth Schäper en de mannen die in deze plaats worden opgepakt, worden verzameld in het Café van Klaas Hekma. Kees Bos wordt hier ’s ochtends vroeg al vermoord; later die ochtend worden in het dorp ook de heren Jan Reinder Visser, Jan Kornelis Dwarshuis en Klaas Havinga doodgeschoten.

De gevangenen uit Bedum worden verzameld in Hotel Krijthe en uit Middelstum in de kroeg van Lahum. De Winsumers komen in Hotel Til terecht. Onder hen niet alleen inwoners van het dorp, maar ook jonge mannen die uit de streekbus zijn gehaald. Meindert Jager is een van hen. Hij moet zich melden in een kamer in Hotel Til, maar neemt een verkeerde deur, waardoor hij plots weer buiten op straat staat. Hij neemt daarop de benen naar huis. Ze hebben hem nooit gemist.

Wanneer de bezetter tevreden is over het aantal gijzelaars, worden deze allemaal in overvalwagens naar het politiebureau aan het Martinikerkhof in Groningen gebracht. De nacht brengen zij door op de vloer, waar voor de gelegenheid stro is neergelegd.

De Sicherheitsdienst onderneemt intussen een poging om in Huizinge dominee H.L. Lieve te liquideren, wat niet lukt. Daarop vertrekken zij naar Middelstum waar onderwijzer Hendrik Heys in de deur van zijn woning wordt doodgeschoten.

’s Morgens om 5.30 uur worden de gijzelaars in het politiebureau te Groningen geteld, de razzia’s hebben 148 jonge mannen opgeleverd. Direct na het tellen worden acht mannen vrijgelaten. Een van hen is Jaap Homan uit Ulrum. De 140 overgebleven gijzelaars worden – begeleid door de Grüne Polizei – in Marstempo naar het station van Groningen gebracht (via de Grote Markt, Herestraat en Herebrug). Op perron 1 staat een trein met onbekende bestemming voor hen gereed. De trein stopt uiteindelijk in Amersfoort en vandaar gaan de mannen in looppas naar het gevreesde PDA, ofwel: Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort.

Kamp Amersfoort
Dit kamp staat onder leiding van Kommandant Karl Peter Berg, met als tweede man de beruchte Oberscharführer Jospeh Kotälla. Na aankomst rond 11.30 uur worden de gijzelaars in de Rozentuin, een kooi van prikkeldraad van 4 bij 40 meter, gezet. Hier blijven ze de hele middag staan. Pas om 19.00 uur worden ze naar Block II gebracht. Gijzelaars hadden in Kamp Amersfoort een enigszins bevoorrechte positie. Zo behouden ze bij aankomst hun burgerkleding en ook het bezoek aan de kapper blijft hen voorlopig bespaard. Eind mei 1944 hoeven de gijzelaars pas te gaan werken, ze worden dan ingedeeld bij de Strovlechterij en later ook in de Biezenvlechterij. Als gevangenen 100 meter stro hebben gevlochten, krijgen ze extra eten. Pas vanaf 9 juni dienen de gijzelaars met de andere gevangenen op appèl te verschijnen. Tot die tijd waren ze daarvan vrijgesteld.

De groep Groningers wordt in Kamp Amersfoort ingedeeld bij een groep gijzelaars uit Beverwijk die een week eerder is gekomen. Op 16 mei 1944 komen er ook nog gijzelaars uit Sliedrecht en omgeving bij. Alledrie de groepen zijn jonge mannen die slachtoffer zijn geworden van een represaillerazzia. Tussen de gevangenen ontstaan vriendschappen voor het leven, die later door de kinderen worden voortgezet.

Op 28 juni krijgen alle gijzelaars een transportbrief die ze moeten invullen om naar huis te sturen. In deze brief wordt de familie verzocht voor kleding te zorgen voor hun zoon in verband met het voorgenomen transport naar Duitsland. Het moet ook echt bij kleding blijven, geld, levensmiddelen, legitimatiepapieren of brieven mogen niet worden meegestuurd. Op 5 juli 1944 worden de gijzelaars alsnog kaalgeschoren. Op 6 juli krijgt de groep nog een strafexercitie te verduren, waarna zij zich moeten melden bij kampcommandant Berg. Iedereen moet een briefje tekenen waarin staat dat zij vrijwillig naar Duitsland vertrekken om daar arbeid te gaan verrichten. ´s Avonds komt Kotälla nog een controle houden, waarbij passen en kampnummers gecontroleerd worden. Een naam hebben de gijzelaars dan al 10 weken niet meer, ze zijn een nummer geworden.

Niet alle opgepakte Groningers worden op transport gesteld. Zo is Hindrik Haan uit Bedum al eerder vrijgelaten en Dijkstra uit Warffum, Jan Visser uit Zoutkamp en Cor Heslinga uit Winsum zijn te ziek voor het transport. Op 13 juli overlijdt Heslinga in het kamp vanwege ontbering en honger. Dijkstra en Visser worden op 11 augustus 1944 als crepeergevallen uit Kamp Amersfoort vrijgelaten.

Transport naar Duitsland
In de vroege ochtend van 7 juli 1944 verlaat de grote groep gijzelaars Kamp Amersfoort. Bestemming is het station van Amersfoort. Het is ongeveer een uur lopen, het tempo ligt hoog en de bagage is voor velen te zwaar. Menige koffer wordt onderweg dan ook achtergelaten. Op het station staat een trein met coupés gereed, voor veel mannen een meevaller omdat er op een goederentrein gerekend was. De trein zet zich rond half vijf in beweging met als einddoel Duitsland. In Nederland wordt alleen nog in Oldenzaal gestopt. Hier staan veel vaders op het perron in de hoop nog een glimp van hun zoon op te vangen. De eerste stop in Duitsland is Braunschweig, hier worden enkele wagons losgekoppeld van de rest van de trein. Naar later blijkt, zijn dit de jongens waarvan de achternamen beginnen met de letters S t/m Z. De overige gijzelaars gaan via Maagdenburg naar Halle en Schkopau. Vanaf hier worden de gijzelaars over diverse werkkampen verspreid.

De kampen
De meeste kampen waren zogenaamde Arbeitserziehungslager (A.E.L.), waar slechts één regel telde: ‘Vernichtung durch Arbeit’. Behoudens Schkopau zijn de kampen waar de gevangenen worden ondergebracht niet van het beste soort. Vooral in Kamp de Kippe te Lippendorf leven de gevangenen als varkens in tentjes van hardboard met stro op de grond en met slechts één deken. Daarnaast slecht en veel te weinig eten en gebrekkig sanitair. Het sanitair bestaat namelijk uit een gat in de grond met daaroverheen een balk (vaak direct naast de tent waar men met een veel te groot aantal mensen moest slapen), waar omheen het krioelt van de maden. Ziek of niet, men dient zich altijd in de open lucht te wassen.

Van de 650 gevangenen die op 7 juli 1944 op transport zijn gegaan, zijn er tot en met mei 1945 circa 100 overleden ten gevolge van ziektes (o.a. tuberculose, typhus, heimwee), ondervoeding, mishandeling en bombardementen. Dit aantal betreft alleen de officieel geregistreerde overledenen, het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger. Van de circa 140 opgepakte Groninger gijzelaars keren er 22 niet meer terug (zie namen hieronder). Zij sterven in een Duits kamp of kort na de bevrijding, reeds thuis of op de weg terug naar huis.
1. Jan de Boer
2. Cornelis Bolhuis
3. Hilbrand Buurma
4. Nicolaas Dijkema
5. Cor Heslinga
6. Ares Hooghuis
7. Hindrik Huisman
8. Herman Hummel
9. Arend Jansma
10. Rienk Klaver
11. Gerrit Klifford
12. Cornelis Kluiter
13. Jan Korthuis
14. Jan Kuipers
15. Klaas Luidens
16. Klaas Doeke Pot
17. Jacop Sibma
18. Jan Smith
19. Berend Tuitman
20.Reinder Tuitman
21. Siebe Wendelaar
22. Jan Wiertsema

De Bedumer aannemer J.W. Formsma sterft reeds op 23 april 1944 ten gevolge van een wraakactie. vijf Mannen worden op 25 april 1944, de dag van de razzia, gedood:
1. Kees Bos
2. Jan Reinder Visser
3. Jan Kornelis Dwarshuis
4. Klaas Havinga
5. Hendrik Heys

Bronnen: ‘Het Scholtenhuis 1940-1945’ Deel 1: Daden, Drs. Monique Brinks blz. 64
‘Recht op wraak, Liquidaties in Nederland 1940-1945.’ Jack Kooistra en Albert Oosthoek blz.101
Leesvoer: ‘Aanslag en Represaille Bedum, 22 april 1944’ Reinders, Harm R. Bedum, Haan
http://www.mystiwot.nl/myst/upload/forum/silbertanne.pdf


De plaquette is een initiatief van Sieger de Groot die het namens de Historische Vereniging Gemeente Bedum en met samenwerking van het Herdenkingscomité Gemeente Bedum heeft geplaatst.

%d bloggers liken dit: